Work Text:
“Oké,” zei Stede, nadat hij op adem was gekomen na al dat roeien. Gelukkig hadden de Swede en Roach de roeiboot het onbewoonde eiland opgetrokken. “Waar is Edward?”
“Nou,” zei Wee John.
“Eh,” zei Oluwande.
“Hij heeft ons hier gedumpt!” schreeuwde Black Pete. “We zijn keihard gedumpt! Door Blackbeard!”
Oluwande knikte. “Ja, daar komt het eigenlijk wel op neer. Technisch gezien door Izzy en Ivan, maar die dumpen ons hier niet zonder dat Blackbeard dat goed vindt.”
“Maar onze talentenjacht dan?” vroeg de Swede. “Gaat die dan niet door?”
Talentenjacht? “Wat is er in vredesnaam gebeurd de laatste dagen?” vroeg Stede. “En waarom staat Buttons in z’n blootje aan de andere kant van het eiland?”
“Het is een onbewoond eiland,” zei Roach, “dus hij drinkt met z’n billen bloot melk uit een kokosnoot.”
“Zijn er nog meer kokosnoten?” vroeg Stede, en die waren er terwijl iedereen hem bijpraatte over wat er op de Revenge was gebeurd in zijn afwezigheid. De Swede’s versie van Edward’s liedje was een tranentrekker. “Maar hij heeft jullie hier gedumpt en Lucius, Frenchie en Jim zijn nog op het schip? Waarom heeft hij hun gehouden en jullie gedumpt?” Stede kon meerdere dingen niet volgen. Waarom zou Edward Roach hier dumpen? Edward vond Roach z’n eten ontzettend lekker.
Oluwande keek naar Stede. “Misschien moet jij even uitleggen wat er allemaal is gebeurd na die Act of Grace, Kapitein.”
“Kapitein.” Pete snoof laatdunkend. “Van een roeiboot!”
“Laat hem zijn verhaal doen,” zei Oluwande.
Dus Stede legde het allemaal uit, van het zoenen op het strand tot Chauncey en Mary’s moordpoging.
“Ik mag haar wel,” zei Roach terwijl hij goedkeurend knikte. De anderen mompelden instemmend.
“En nu ben ik terugkomen om Edward mijn excuses aan te bieden en de boel uit te leggen, en dan kunnen we weer gezellig als co-Kapiteins verder,” zei Stede.
“Dan moet je wel flinke excuses maken,” zei Wee John. “Hij was heel erg verdrietig.”
“Maar hoe dan?” vroeg Stede, lichtelijk wanhopig. “Ik heb cadeaus nodig! Hoe meer cadeaus, hoe duidelijker het is dat het mij spijt! En het spijt mij allemaal gigantisch!” Dat vereiste een enorme vracht aan cadeaus. Die hij niet had, want Mary had al z’n geld.
“We zitten op een onbewoond eiland met alleen maar kokosnoten, dus dat schiet niet op,” zei Oluwande. “En met die roeiboot kun je geen andere boten overvallen.”
“Hmm, wat voor datum is het?” vroeg Roach. “Zo’n beetje half november, toch?”
“Ongeveer,” zei Stede, die zijn tijdsbesef helemaal kwijt was.
Roach knikte. “Dan heb ik een idee hoe we aan heel veel cadeaus kunnen komen. Ik werkte hiervoor voor een bisschop die elk jaar vanuit Spanje naar Nederland vaart met een stoomboot vol cadeaus, en—”
“Wat is een stoomboot?” vroeg Oluwande.
“Dat is nu niet belangrijk!” riep Stede. “Cadeaus! Roach, vertel ons meer. Wie was jouw vorige werkgever?”
“Heb je mijn CV niet gelezen?” vroeg Roach.
“Ik heb zoveel CVs gelezen, ja, die kan ik niet allemaal onthouden,” loog Stede, die de CVs eigenlijk amper had doorgelezen.
Roach keek hem wantrouwig aan. “Sint Nicolaas.”
“Echt niet!” riep Black Pete. “Daar heb ik ook voor gewerkt en ik heb jou nooit op die stoomboot gezien.”
“Ik jou ook niet,” zei Roach. “Dus ben jij overduidelijk aan het liegen om je CV op te krikken.”
“Dat zou ik nooit doen!”
“Welles!”
“Roach, Pete, even stil.” Stede wachtte tot ze allebei stil waren. “Misschien is het een grote stoomboot en zijn jullie elkaar misgelopen, of werkten jullie er op verschillende momenten.”
“Oké, dat kan,” gaf Pete toe. “Maar Roach heeft wel gelijk. Als het half november is, dan is Sinterklaas onderweg naar Nederland met z’n stoomboot vol cadeaus, en zonder kanonnen of wapens.”
“Geen kanonnen?” Dat klonk wel heel makkelijk. “En z’n bemanning?”
“Oh, de Pieten?” Roach lachtte. “Die gaan niet terugvechten. Die zijn gewend om pakjes en snoepgoed uit te delen.”
“Voor wie zijn die cadeaus dan bedoeld?” vroeg de Swede.
“Voor kinderen in Nederland,” zei Pete.
“Dus wij gaan cadeaus stelen die voor kinderen zijn?” vroeg de Swede, die fronste. “Is dat niet wat zielig?”
“Klinkt wel vrij zielig,” zei Wee John.
“Wat maken die kinderen uit?” riep Stede. “Denk aan mij! En Edward! Wij zijn pas zielig!” Veel zieliger dan een stel kinderen in één of ander ver land.
“Ehm, tuurlijk,” zei Oluwande, die wat bedenkelijk keek. “Maar als die boot vaart van Spanje naar Nederland, en wij zitten ergens bij Barbados, hoe komen wij daar dan met alleen een roeiboot?”
Roach en Black Pete keken elkaar aan en lachtten. “Wij gaan niet naar Sinterklaas toe,” zei Pete. “Wij zetten onze schoen vanavond, doen daar wat lekkers in voor het paard en zingen een liedje, en dan komt Sinterklaas naar ons toe!”
“Duh,” voegde Roach toe.
“Een schoen zetten?” vroeg de Swede.
“Wat heeft een paard hiermee te maken?” vroeg Wee John.
“Waarom moeten we zingen?” vroeg Oluwande.
Roach zuchtte. “Doe nou maar gewoon wat wij zeggen, dan komt Sinterklaas hier vannacht nog heen!”
Na wat discussie, besloten ze om alle schoenen onder de kokosboom te zetten, en er een kokosnoot in te doen ook al wisten Roach en Pete niet helemaal zeker of het paard van Sinterklaas wel van kokosnoten hield. Het zingen was ook lastig, aangezien niemand behalve Pete en Roach de tekst kende, maar na een half uur besloot Pete dat het om de moeite ging, niet om de kwaliteit van de zang.
“En nu moet iedereen gaan slapen,” zei Roach. “Sinterklaas komt niet als je wakker blijft.”
In slaap vallen was lastig, maar uiteindelijk snurkte iedereen tevreden, tot er ineens een golf over het eiland sloeg.
Een golf van een stoomboot die langs voer.
*
“Help! Red ons!” riep de Swede naar de stoomboot. “Wij zijn hier gedumpt door een gemene piraat!”
“Wij zijn ook gemene piraten,” zei Pete.
“Allemaal in de roeiboot en naar die stoomboot, jongens!” zei Stede. Als wat Roach en Pete zeiden klopte, dan zou het een koud kunstje zijn om die stoomboot te stelen en ermee achter Edward aan te gaan. Hij kon het zich al voorstellen. Edward zou enorm onder de indruk zijn van Stede’s grote boot en zijn grote hoeveelheid cadeaus. En dan zouden ze… waarschijnlijk meer zoenen ofzo. En misschien iets met handen. Daar ging Stede later wel over nadenken. Privé.
Ze waren de stoomboot genaderd, en Stede zag meerdere mensen met roetvegen op hun gezicht over de railing hangen. Ze waren kleurig gekleed, met oranje, blauwe en gele vesten. Oh, die mutsen met veren erop zagen er leuk uit. Daarvan moest hij er zeker eentje meenemen. “Ahoy daar!” riep hij omhoog. “Waar is jullie kapitein? Dit is een overval!”
“Een kapitein?” zei één van de bemanningsleden. “Hebben wij een Kapitein Piet?”
“Is Sinterklaas niet de kapitein?” vroeg een ander.
“Nee, Sinterklaas is Sinterklaas. Als hij Sinterklaas wilde spreken, had hij daar wel om gevraagd. Misschien bedoelt hij Hoofdpiet?” vroeg een derde.
“Hallo!” riep een jonge man met een paars vest. “Bedoelt u Hoofdpiet?”
“Is die de baas van jullie schip?” riep Stede.
“Nee, dat is Sinterklaas,” zei de man met het paarse vest.
“Ja, we bedoelen Hoofdpiet!” riep Pete, die Stede opzij duwde. “Zeg tegen hem dat we aan boord willen komen!” Hij keek naar Stede. “Je moet gewoon kordaat zijn met zo’n stel Pieten.”
“Zeg, wat was jouw functie eigenlijk?” vroeg Roach, terwijl twee Pieten wegliepen en de rest bleef kijken naar de roeiboot.
“Mijn functie? Wat was jouw functie?” vroeg Pete. “Dat heb je ook niet gezegd.”
“Ik was een Bakpiet,” zei Roach. “Wat anders? En jij?”
“Klimpiet,” zei Pete. “Ik kon elk huis en elke schoorsteen op!”
“Ja ja,” zei Roach. “Geloof ik niks van.”
“Jongens, geen ruzie!” zei Stede. “We zijn bezig met een overval en het komt ontzettend onprofessioneel over als we niet samen werken. Kom op!”
“Wat is hier allemaal aan de hand?” Een nieuwe Piet verscheen aan de railing, in een blauw vest en een rode veer in zijn muts. “We zijn gigantisch verdwaald en jullie zijn aan het kletsen met wat vissers? Hop, aan het werk! We hebben nog genoeg te doen als we op tijd in Nederland willen aankomen.”
“We zijn geen vissers! We zijn piraten!” riep Stede. “Dit is een overval! We willen al jullie cadeaus!”
“Als jullie piraten zijn,” riep de Piet in het blauw terug. “Dan zijn jullie niet braaf geweest en krijgen jullie helemaal geen cadeaus!”
“We komen ze stelen!” riep Pete. “Laat ons aan boord!”
“We kunnen jullie helpen met uitvogelen waar jullie zijn!” riep Oluwande. “Wij kennen de regio!”
“Eindelijk iemand die wat nuttigs te melden heeft!” zei de Piet in het blauwe vest. “Jij mag aan boord komen.”
Zodra de ladder hing, klom de rest ook omhoog tot ontevredenheid van de Piet in het blauwe vest. “Dat was niet de afspraak! Alleen hij met die leuke gebreide muts mocht aan boord.”
“Nogmaals, dit is een overval,” zei Stede, die het allemaal wat traag vond gaan. Hij had nog geen cadeau gezien. “Breng ons naar de cadeaus!”
“Helemaal niet, ik breng jullie naar Sinterklaas! Die zal wel eens even een hartig woordje met jullie spreken,” zei de Piet.
“En wie ben jij om ons naar Sinterklaas te brengen?” vroeg Roach. “Waar is Hoofdpiet?”
De Piet in het blauw keek naar Roach. “Ik ben Hoofdpiet.”
“Helemaal niet,” zei Pete. “Hoofdpiet ziet er heel anders uit. Meer roet. Meer gravitas.”
“Ik ben de nieuwe Hoofdpiet,” legde Hoofdpiet uit. “En ik heb veel meer gravitas dan die vorige.” Hij snoof en stond nog rechter op dan hij al deed.
“Nee,” zei Roach, “je bent gewoon lang. En hoezo hebben jullie allemaal veel minder roet op je gezicht? Wij zaten er altijd helemaal onder!” Hij gebaarde naar z’n gezicht.
“Jullie zaten onder het roet?” vroeg Stede.
“Ja, door de stoomboot en doordat we in elke schoorsteen moesten,” legde Pete uit. “Dus ons hele gezicht zat onder de zwarte roet.”
“Maar dat verklaart dan toch waarom jij en Roach elkaar niet herkenden toen jullie hier werkten?” zei Oluwande. “Met roet op je gezicht ben je onherkenbaar.”
Pete en Roach keken elkaar aan. “Daar heeft ie wel een punt,” zei Roach. “En we dragen nu hele andere kleren in plaats van dat suffe Pietenuniform.”
“Dat zal het zijn,” zei Stede, die dat Pietenuniform eigenlijk wel leuk vond met al die bonte kleuren. Misschien kon hij ook wat van hun kniekousen stelen.
“We hebben sinds een paar jaar een roetfilter op de stoomboot,” zei Hoofdpiet. “Voor het milieu en de CO2-uitstoot enzo. Al die vergunningen tegenwoordig, je weet hoe dat gaat.”
Stede had geen idee hoe dat ging, maar hij knikte. “Aha, en door dat roetfilter stoten jullie minder roet uit, dus jullie zitten minder onder de roet dan vroeger.”
“Exact! En minder mensen hebben schoorstenen, dus dat scheelt ook enorm qua roet,” zei Hoofdpiet. “In elk geval, zullen we dan nu naar Sinterklaas?”
“Hoe is het eigenlijk met Amerigo?” vroeg Pete.
“Amerigo? Oh, die is met pensioen. Die is lekker gras aan het eten in Spanje,” zei Hoofdpiet.
“Pensioen!” Roach klonk geschrokken. “Heeft Sinterklaas een nieuw paard? Wat?”
“Ja, Ozosnel,” zei Hoofdpiet. “We kunnen wel even langs?”
“Een nieuw paard!” zei Roach, en schudde met z’n hoofd.
“Een nieuwe Hoofdpiet!” Pete zuchtte. “En een roetfilter! Al die verandering, dat kan toch niet zomaar?”
“Och.” Hoofdpiet haalde z’n schouders op. “Valt eigenlijk best mee, hoor. Het zou ook saai zijn als het altijd maar hetzelfde bleef. Nou, op naar Sinterklaas!”
*
Stede ging na de Hoofdpiet naar binnen, gevolgd door de rest.
“Sinterklaas, we hebben bezoek!”
“Oh, hallo daar!” Sinterklaas klonk vrolijk. Hij zat achter een indrukwekkend bureau in een groot boek te schrijven.
“Hallo, ik ben Kapitein Bonnet, dit is mijn bemanning, en wij komen hier voor een overval,” zei Stede. Sinterklaas was zo te zien een oude man. Zijn witte haar en baard waren lang, nog langer dan Edward’s haar en baard. Tenminste, voordat Edward z’n baard had afgeschoren. En dat was… tja, dat was nogal een verandering. Eentje waarvan hij nogal was geschrokken.
“Dat is Sinterklaas helemaal niet!” zei Roach. “Dat is een hele andere man!”
“En hij klinkt anders,” zei Pete. “Dat is niet de echte Sinterklaas.”
“Natuurlijk ben ik de echte Sinterklaas!” zei Sinterklaas, lichtelijk verongelijkt. “Ik zit hier toch? En ja, ik zie er wat anders uit. Ik ben wat afgevallen.” Hij klopte zichzelf op zijn buik. “Anders kon ik niet meer zo goed op Ozosnel rijden.”
“Houd hem in de gaten, Kapitein,” zei Pete zachtjes tegen Stede. “Hij ziet er niet uit als een Sinterklaas. Eerder een Sinterkees.”
Sinterklaas schudde zijn hoofd. “Roach, Pete, goed jullie weer te zien. Werken jullie nu voor Kapitein Bonnet?”
“Jazeker! Wij zijn allebei piraat!” zei Pete. Hij keek naar Hoofdpiet. “Gefeliciteerd met de roetfilters, blijkbaar.”
“Ja, het heeft even geduurd, maar wij gaan met onze tijd mee,” zei Sinterklaas. “Jammer dat jullie vertrokken zijn. Pete, jij was één van de beste Klimpieten die we ooit hebben gehad.”
Pete keek triomfantelijk naar Roach. “Dat zei ik toch!”
“En jouw pepernoten waren altijd heel lekker,” zei Sinterklaas tegen Roach.
“Maar het waren altijd alleen maar pepernoten!” klaagde Roach. “Onder Kapitein Bonnet mag ik tenminste ook andere lekker dingen maken!”
“Als iemand van de rest van je bemensing nog Piet wil worden, er staan nog vacatures open,” zei Sinterklaas. “Praat maar even met Hoofdpiet.”
Wee John, Buttons, de Swede en Oluwande keken naar Hoofdpiet. “Oh ja?” vroeg de Swede. “Wat voor vacatures?”
“Wat? Nee! Jullie werken voor mij!” riep Stede.
Wee John haalde zijn schouders op. “We zijn alleen maar benieuwd naar de vacatures. Hebben jullie ook kanonnen en buskruit?”
“Nee! Natuurlijk niet!” zei Hoofdpiet.
“Oh, laat maar,” zei Wee John.
“Is dat uniform verplicht?” vroeg Buttons.
“Ja, anders herken je ons toch niet als Piet?” zei Hoofdpiet.
“Hmm, en dat moeten we de hele dag aan? Ook met volle maan?”
“Ja? Hoezo?”
“Dan blijf ik bij Kapitein Bonnet,” zei Buttons.
“En jullie dan?” Hoofdpiet keek naar de Swede en Oluwande.
“Ik vind mijn eigen blonde haar mooier,” zei de Swede.
“Ik moet terug naar Jim,” zei Oluwande. “Maar misschien wil Jim wel een Piet worden. Beetje een carriere switch, maar hen is heel goed met een mes. Dat kan altijd handig zijn.”
“Een Messenpiet, nou, daar hebben we het later nog wel over,” zei Hoofdpiet.
“Maar jij bent Kapitein Bonnet, hmm, even kijken…” Sinterklaas bladerde door zijn boek. “Stede Bonnet?”
“Inderdaad! De Gentleman Pirate!” zei Stede. “Wat, ehm, wat voor boek is dat precies?”
“Het Grote Boek van Sinterklaas,” zei Roach. “Daar staat alles in over iedereen. Onder andere of je wel braaf bent geweest dit jaar.”
“Ah.” Stede zag de bui al hangen. “Oh jee.”
“Hmm, ja, jij bent nogal druk bezig geweest dit jaar.” Sinterklaas keek over zijn bril naar Stede. “Indrukwekkend, hoor.”
Stede voelde zich wel een beetje trots. Hij was inderdaad erg druk geweest. “Dank je. Maar even over die cadeaus—”
“Ik weet alleen niet of jij wel braaf genoeg bent geweest voor cadeaus als ik dit zo lees,” zei Sinterklaas.
“Hah!” zei Hoofdpiet triomfantelijk.
“Wat? Hoezo niet? Ik ben naar m’n familie teruggegaan om het goed te maken. Ze vinden het wel prima zonder mij. Mijn eigen vrouw probeerde me te vermoorden!”
“Ik mag haar wel,” mompelde Sinterklaas. “Ik geef haar wel een extra ezel. Ter vervanging van degene die ze eindelijk kwijt is.” Hij keek naar Stede.
“Nou ja!” brieste Stede. “Zij probeert me te vermoorden en ze krijgt een schildersezel cadeau! En ik krijg niks!”
“Jij hebt wel wat meer stouts gedaan, Stede,” zei Sinterklaas. “Jij hebt Edward zomaar achtergelaten. Dat is niet heel aardig van je.”
“Dat probeer ik juist goed te maken! Met een heleboel cadeaus, omdat het mij een heleboel spijt!” zei Stede.
“Maar maken cadeaus dat dan goed?” vroeg Sinterklaas. “Denk je dat Edward dat op zijn verlanglijstje heeft staan?”
“Ja, ehm, nou, ik dacht eigenlijk—verlanglijstje?” vroeg Stede. Had Sinterklaas het verlanglijstje van Edward? Dat zou wel schelen. Dan hoefde hij alleen maar de cadeaus te stelen die Edward wilde.
“Ja, het verlanglijstje van Edward,” zei Sinterklaas. “Het is niet heel lang.”
“En wat staat daarop?” vroeg Stede zenuwachtig.
“Jouw hart,” zei Sinterklaas.
“Ah, tuurlijk,” zei Black Pete. “In zijn vuist zodat hij het fijn kan knijpen en erop kan stampen op het dek.”
“Ah.” Stede voelde zich een beetje flauw worden. “Dat klinkt wel als Edward.”
Sinterklaas keek nog eens in zijn boek. “Hier staat alleen maar dat hij jouw hart wil. Niet wat hij ermee wil doen.”
“Oh.” Dat was niet heel geruststellend. “Maar niks over cadeaus ofzo?”
“Nee.” Sinterklaas keek naar Stede. “Maar wees nou eerlijk, Kapitein Bonnet. Denk je nou echt dat je dit kunt goedmaken met spullen?”
“Ik had gehoopt van wel! Zo probeer ik altijd alles goed te maken!” zei Stede.
“En werkt dat een beetje?” vroeg Sinterklaas.
Stede opende en sloot z’n mond. Daar had Sinterklaas een punt.
“Dat dacht ik al,” zei Sinterklaas. “Kapitein Bonnet, Edward wil geen spullen.”
“Eh, hij wil echt wel spullen,” zei Pete. “Hij is Blackbeard. Natuurlijk wil hij spullen.”
“Hij wil vooral iemand met wie hij zijn spullen kan delen,” zei Sinterklaas. “Net zoals elk ander mens.”
“Oh,” zei Stede, die zich wat dom voelde. “Weet je heel zeker dat hij stiekem geen nieuwe spullen wil? Dat maakt het hele excuses aanbieden wel makkelijker.”
“Vrij zeker, ja.”
“Maar naar Edward toegaan zonder spullen. Alleen maar mezelf en excuses. Waarom zou hij dat accepteren?” vroeg Stede, die met de minuut zenuwachtiger begon te worden.
“Waarom heb jij alles achtergelaten?” vroeg Sinterklaas.
“Omdat…” Stede viel stil. Omdat hij van Edward hield en alles voor hem overhad. “Maar ik weet niet of Edward nog hetzelfde voelt.”
“Nou, dan moet je maar eens op pad om dat aan hem te vragen,” zei Sinterklaas.
“Misschien met een kopje thee erbij,” zei Stede. Edward hield enorm van thee. “In het goede servies.”
“Ah, dat kan lastig worden,” zei Roach. “We hebben al je spullen overboord gegooid. Moest van Izzy in opdracht van Blackbeard.”
“Wat?” Al zijn spullen? Overboord?
“Echt alles,” zei Wee John. “En je had heel veel spullen. Het duurde best lang.”
“Hij heeft al mijn spullen overboord gegooid? Alle kleren? Mijn boeken?” riep Stede.
De bemanning knikte.
“Alles?” schreeuwde Stede boos. Hij haalde diep adem. “Des te meer reden om een goed gesprek te hebben met Edward over wat er gebeurd is!” Misschien moest Edward hem ook maar eens om vergiffenis vragen.
“Inderdaad,” zei Hoofdpiet. “Op jullie schip. Ergens anders. Dus niet op de stoomboot! Hup, wij hebben nog een lange weg naar Nederland te gaan!”
“Oh, dat valt wel mee, hoor,” zei Sinterklaas. “Wij zijn vlakbij.”
“Wij zijn helemaal niet vlakbij!” riep Hoofdpiet. “Wij zitten midden in het Caribisch gebied! Wat ik normaliter niet erg vind, maar rond deze tijd van het jaar moeten we hier helemaal niet zijn! We moeten naar Nederland voor de intocht. Wat moet Dieuwertje wel niet denken?
“Die heb ik eerder al gebeld,” zei Sinterklaas. “De intocht dit jaar doen we in Bonaire.”
“Bonaire?” vroeg Hoofdpiet. “Maar dat is—dat is vlakbij!”
“Inderdaad,” zei Sinterklaas. “We gaan aankomen in Kralendijk en we liggen precies op schema.”
“Oh, gelukkig.” Hoofdpiet zuchtte. “Komt alles toch weer goed!”
“Zoals altijd.” Sinterklaas klonk tevreden. “Er is een hoop veranderd, maar dat het allemaal goed komt met de intocht verandert eigenlijk nooit.”
“Komt alles met mij en Edward dan ook goed?” vroeg Stede. “Ondanks alle verandering?” Want er was nogal wat veranderd. Edward had geen baard meer. Edward had al z’n spullen overboord gegooid. Stede had zijn rijkdom opgegeven.
“Dat is aan jullie,” zei Sinterklaas. “Verandering is altijd spannend, ook als het ten goede is.”
“Het zou ook saai zijn als het altijd maar hetzelfde bleef,” zei Roach, die naar Hoofdpiet keek.
Hoofdpiet streek zijn veer glad. “Wat een wijze woorden.”
“Maar Kapitein, waarom heb je Blackbeard uberhaupt verlaten?” vroeg Pete.
“Dat had ik toch al uitgelegd?”
“Misschien moet je het uitleggen met een liedje,” zei Hoofdpiet. “Met een piano’tje erbij in één minuut. Werkt voor mij altijd heel goed met best wel ingewikkelde onderwerpen.”
“Ja, maar ik snap het nog steeds niet,” zei Pete, en de rest knikte. “Waarom zou je terug gaan naar je vrouw omdat die lulhannes van een Chauncey zichzelf had doodgeschoten?”
“Zeg, hou het netjes bij Sinterklaas!” zei Hoofdpiet.
“Nou, die Chauncey was ook een lulhannes,” zei Sinterklaas. “Ga door, Stede.”
“Het ging om wat hij zei,” zei Stede. “Dat had ik eerder toch al gezegd? Hij zei dat ik altijd alles ruineer. Alles verpest. Dat ik Edward had verpest omdat hij de beste piraat ooit was, en ik had hem ten gronde gericht.”
“Ja, dat snapte ik dus niet,” zei Pete. “Waarom je geloofde dat je alles verpest.”
Stede glimlachte meewarig. “Omdat ik altijd alles verpest, Pete. Zoals deze overval.”
“En wij dan?” zei Wee John. “Je hebt ons niet verpest.”
“Nou, hij heeft mijn gebit wel wat verpest met die scheurbuik,” mompelde de Swede.
“Maar dankzij jou zijn we nu een team,” zei Oluwande. “Een behoorlijk maf team, maar een team.”
Stede kreeg tranen in z’n ogen. Natuurlijk. Zijn bemanning. “Oh, jongens!” Hij sloeg zijn armen om Oluwande heen. “Geef me een knuffel!”
“Een groepsknuffel!” zei Sinterklaas. “Wat leuk. Hoofdpiet, ik wil ook een groepsknuffel. Haal even wat Pieten erbij.”
“Maar Sinterklaas, straks komt er roet op uw mantel!”
“Maakt niet uit. Ik heb zin in een flinke groepsknuffel.”
*
Na de groepsknuffel nam Sinterklaas Stede en zijn bemanning mee naar de pakjeskamer. “Wij kunnen achter jullie schip aan,” zei Sinterklaas. “Zodat jij en Edward een goed gesprek kunnen hebben. Maar hoewel hij geen spullen wil, wil ik jullie toch allemaal een cadeautje geven.” Hij gebaarde naar een plank vol chocoladeletters. “Iedereen mag er eentje meenemen voor zichzelf, en eentje voor de bemensing van de Revenge.”
Oluwande greep een extra J voor Jim, Wee John nam een F voor Frenchie, en Pete pakte een L voor Lucius. Buttons en de Swede hadden twee I’s en een F voor Ivan, Izzy en Fang gepakt.
Stede had al een S gepakt, maar twijfelde tussen de B en de E.
“Wat is het probleem?” vroeg Sinterklaas.
“Ik weet niet welke letter de beste is,” zei Stede.
“Dat ligt eraan met wie jij liever de rest van je leven wil delen,” zei Sinterklaas. “Wil je liever Blackbeard, de gevreesde en getalenteerde piraat die er best lekker uitziet in al dat leer—”
“Sinterklaas!” riep Hoofdpiet geschokt.
“Ik mag toch best kijken?” zei Sinterklaas onschuldig. “Of wil je liever Edward? Die niet helemaal weet wie hij is zonder baard en piratenschip, maar daar achter wil komen met jou?”
“Ja, als je het zo zegt, is het eigenlijk best makkelijk,” zei Stede.
“Inderdaad,” zei Pete. “Neem de B mee, Kapitein! Denk aan dat leer!”
“De E.” Stede pakte er eentje van de stapel. Hopelijk hield Edward van melk met hazelnoot.
*
De Revenge kwam al snel in zicht, en Stede stond reikhalsend aan de railing met de rest. “Edward!” riep hij, en zwaaide met een pietenmuts. “Ahoy!”
Maar in plaats van Edward verscheen Izzy op het dek van de Revenge. “Wat,” riep hij, “de fuck is dit nou weer voor ongein!”
“Lang verhaal,” riep Stede terug. “Kun je Edward erbij halen?”
Niet alleen Edward kwam het dek op, maar ook de rest. Stede hoorde de vreugdekreten van Wee John, Oluwande en Pete, maar hij had alleen maar oog voor Edward.
Edward keek niet heel blij. “Stede,” zei hij. “Ik zie dat je een andere man met een indrukwekkende baard hebt gevonden. Met een groter schip.”
“Oh!” Stede keek naar Sinterklaas. “Het is niet wat het lijkt!”
“Dat is het nooit met Sinterklaas,” zei Hoofdpiet.
“Edward, ik heb een chocoladeletter voor je! Melk met hazelnoot!” riep Stede.
“Ik ben allergisch voor noten!”
“Sinds wanneer?”
“Sinds nu!” snoof Edward.
“Oh.” Stede glimlachte. “Mogen we toch aan boord komen? Dan kun je me vertellen waar je allemaal allergisch voor bent.”
“Oké, ten eerste ben ik allergisch voor slechte smoesjes,” zei Edward. “Maar vooruit. Izzy, laat ze aan boord komen.”
Izzy keek naar Sinterklaas en de Hoofdpiet. “Toch alleen de idioten die we al kennen en niet die andere idioten?”
“Nou ja!” riep Hoofdpiet. Hij keek naar Stede. “Wat een onbeleefde man.”
“Ja he?” zei Stede, terwijl de rest van de bemanning overstapte naar de Revenge. “Jij bent niet heel braaf geweest dit jaar, Izzy!”
“Ik ben een fakking piraat, Stede! Wat denk je zelf?”
“Ik denk,” zei Stede, “dat ik jouw chocoladeletter voor mezelf ga houden.”
Izzy keek naar de doosjes die de rest vast had. “Ja ja, een I van chocola. Die is veel kleiner dan een S. Typisch! Je probeert mij af te schepen met minder chocola!”
“Ze wegen precies hetzelfde!” riep Hoofdpiet, en hij zuchtte. “Elk jaar hetzelfde geklaag van mensen met I als voorletter.” Hij sloeg Stede op z’n schouder. “Nou, succes! Hopelijk zien we jullie nooit meer!”
“Dank je?” zei Stede, en stapte over op de Revenge. Hij draaide zich om om naar Sinterklaas en de Pieten te zwaaien. “Dag Sinterklaas!”
“Nou, dag hoor!” riep Sinterklaas terug. “Kom op, Hoofdpiet. Op naar Kralendijk.”
“Zo,” zei Edward, die ineens naast Stede stond. “Dat klinkt alsof jij een flink avontuur hebt beleefd. Met een andere man met een lange baard en een groot schip.” Hij keek Stede doordringend aan.
“Ja maar Edward,” zei Stede. “Het gaat niet om het formaat van je schip, maar hoe je het gebruikt!”
Edward keek hem lang aan en barstte uiteindelijk in lachen uit. “Oh Stede. Kom hier met die chocoladeletter. Die kan ik oppeuzelen terwijl jij uitlegt waarom jij mij zo harteloos verlaten hebt.”
“Prima, maar dan mag jij uitleggen waarom jij zo harteloos al mijn spullen overboord hebt gegooid,” zei Stede, die daar nog steeds mening over had.
“Oké,” zei Edward. “Dan zullen we elkaar eens even flink… uitleg geven.” Hij knipoogde naar Stede.
“Oké,” zei Stede. “Ik kan niet wachten op die flinke uitleg van jou.”
“Dacht ik al,” zei Edward, en greep Stede bij z’n mouw om hem mee te sleuren naar de kapiteinshut voor een hele flinke, grondige en langdurige uitleg.
